|
Het slagingspercentage van de CSCP examens vertoont voor het vijfde jaar op rij een dalende lijn. Alhoewel onze cursisten een gemiddeld slagingspercentage van rond de 90% hebben laten zien, is dit internationaal maar 57%. In Amerika ligt het percentage met gemiddeld 68% hoger en lijkt redelijk stabiel te zijn. Opvallend is dat de afgelopen twee jaar het verschil tussen de US en de rest groter is.

Wat wil dat nu zeggen?
Ten eerste, het examen lijkt -na de introductie van de opleiding in 2005- moeilijker geworden te zijn. Op zich verklaarbaar, want de inhoud van de opleiding is in de afgelopen jaren ook redelijk geactualiseerd en in omvang toegenomen.
Ten tweede, kandidaten zijn soms niet voldoende ambitieus en investeren te weinig in de studie. Nog steeds komen we tegen dat kandidaten wel denken het even te doen. Met name de omvang van de stof blijkt in de praktijk erg tegen te vallen.
Zijn de resultaten over verschillende jaren wel vergelijkbaar?
APICS gebruikt een verschillend aantal technieken om de score op examens weer te geven. Er zijn geen vastgestelde normen voor het aantal kandidaten wat moet slagen of voor het aantal vragen dat men in een examen minimaal goed moet hebben. Omdat er gebruikt gemaakt wordt van een "scaled-score" is het individuele resultaat op examenniveau vergelijkbaar.
Wat is een scaled score?
APICS gebruikt een methode van normering van examens die globaal als volgt werkt. Iedere vraag in de database wordt door een panel beoordeeld op moeilijkheidsgraad. De waardering voor deze specifieke vraag geeft de ruwe score weer.
Bij het samenstellen van een examen wordt een selectie uit de database gemaakt. Om te voorkomen dat er over één onderwerp relatief meer vragen in de test uitkomen - omdat er simpelweg meer vragen beschikbaar zijn - wordt er wel een afspiegeling gemaakt naar relatief aandeel van de module in de opleiding. In principe heeft iedere vraag, ongeacht moeilijkheidsgraad of inhoudelijk onderdeel, evenveel kans om in de test uit te komen. Hierdoor zullen de examenvragen een afspiegeling vormen de te toetsen kennis en geeft een garantie dat het examen "fair" is voor iedere kandidaat. Het geeft ook dat in principe ieder examen weer verschillend is. De database met vragen is immers heel groot.
Van de geselecteerde examenvragen worden de ruwe scores opgeteld. De ruwe scores worden vervolgens vertaald naar de eindschaal. Heb je alle vragen goed, dan is de maximale score bereikt. Voor CSCP is deze score 350. De minimumscore, dus geen vragen goed, is bij CSCP 200. Op basis van een ingewikkeld proces (cut-score study) worden de ruw scores vertaald naar de schaal van 200 - 350. De pass-rate-score is vastgesteld op 300 punten, dus heb je meer dan 300 punten, dan ben je geslaagd.
Deze methode heeft tot gevolg dat er niet te zeggen valt dat het zakken met 297 punten slechts één vraag fout was. Het heeft ook tot gevolg dat kandidaten van een 'moeilijker' examen niet benadeeld worden ten opzichte van de 'makkelijker' examens. Een kandidaat is dus in staat om scores op verschillende examens 'objectief' met elkaar te vergelijken.
Doordat de scores op kandidaat niveau vergelijkbaar zijn is het ook mogelijk om de pass-rates voor de verschillende jaren met elkaar te vergelijken.
Er ligt een flink hoeveelheid statistiek ten grondslag aan de APICS examens. Doel hiervan is dat de werkelijke kennis getoetst wordt en het statistisch gezien bijna onmogelijk is om op basis van toeval een examen te halen.
|